Rashondenwijzer

RASHONDENWIJZER IS NIET WETENSCHAPPELIJK

Eerlijke informatie over gezondheid noodzakelijk

 

In de discussie over rashonden duikt steeds www.rashondenwijzer op als informatiebron. Rond deze website hangt een zweem van ‘wetenschappelijkheid’ die ongefundeerd is. “Het is een onvolledig en niet wetenschappelijk onderbouwd product,”  zegt de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, die het niet eens is met de Rashondenwijzer. Deze bestempelt ten onrechte sommige rassen als ‘ernstig ziek’.

Fronsende wenkbrauwen bij veel fokkers en liefhebbers van dwergschnauzers bij het raadplegen van de rashondenwijzer, een initiatief van Dier & Recht. Dit ras kreeg bij de lancering van de site 118 minputen en is daarmee een ‘ramphond’ met één van de slechtste scores. Terwijl de schnauzer het juist beter doet qua gezondheid dan andere rassen, volgens de laatste gezondheidsinventarisatie van de Raad van Beheer. De meest voorkomende erfelijke ziektes in de rashondenwijzer zijn bovendien compleet anders dan die in de gezondheidsinventarisatie. Bezitters en fokkers, soms al meer dan dertig jaar trouw aan dit ras, zijn verbaasd en herkennen niet het beeld dat de wijzer schetst.

De vraag is daarom hoe Dier & Recht heeft berekend in welke mate een ziekte voorkomt bij een ras, zogenaamde prevalentiecijfers. “We hebben veel literatuur bekeken, in eerste instantie naar beschikbare literatuur en gezondheidsinventarisaties uit Nederland, indien deze niet beschikbaar waren hebben we gebruik gemaakt van buitenlandse literatuur, meestal uit de Verenigde Staten en Groot Brittannië,” zegt de projectleider rashondenproblematiek van Dier & Recht, die niet met zijn naam in het artikel wil vanwege zijn veiligheid. “We hebben de meldingen over de prevalentie van erfelijke ziektes in een database gezet,” vervolgt hij, “sommige publicaties geven duidelijk een percentage weer, andere spreken in termen als ‘het komt voor’, ‘het komt veel voor’. Die hebben wij zelf vertaald naar categorieën: belangrijke aandoening, aandoening met hogere incidentie en overige aandoeningen. Percentages ≥ 10% zijn geplaatst onder belangrijke aandoening, ≥ 1% en < 10% onder aandoeningen met hogere incidentie en < 1% als overige aandoeningen. Op die database hebben we een zoekmachine losgelaten die relaties heeft gelegd tussen rassen, ziektes en prevalentie. Dit hebben we eerst uitgewerkt op een testwebsite. De faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit van Utrecht heeft daar ook naar gekeken.”

De woordvoerder van de faculteit Diergeneeskunde is gevraagd hierop te reageren. “Wij hebben niet gekeken naar de prevalentiecijfers in de Rashondenwijzer en de correctheid daarvan,” schrijft ze in een e-mail. De faculteit vindt de Rashondenwijzer een goed initiatief, maar is het oneens met de uitwerking. “Dier & Recht heeft zich in beperkte mate gericht op wetenschappelijk verantwoorde gegevens,” vervolgt de woordvoerder na raadpleging van inhoudelijk deskundigen van de faculteit. “Dit past niet in de werkwijze die de universiteit naastreeft. De faculteit heeft deels meegewerkt aan het leveren van veterinaire informatie voor de Rashondenwijzer. Wij zijn echter geen partner in deze website en onderschrijven niet alle conclusies of hoe de informatie wordt weergegeven. Wij zijn het niet eens met de afwerking en het eindproduct, dat onvolledig en niet wetenschappelijk onderbouwd op de markt is gebracht.”

Omdat de faculteit Diergeneeskunde geen zicht heeft op de prevalentiecijfers van alle rassen, heeft Dier & Recht deze uit de boeken gehaald. “Daarbij is vooral naar buitenlandse studies gekeken,” vervolgt de woordvoerder,”aan het begin van het project hebben wij dan ook de kanttekening gemaakt, dan wel het advies gegeven, dat dit mogelijk geen goed beeld zou geven van de Nederlandse populatie en prevalenties.”

De vrees van de universiteit blijkt gegrond. In dit artikel lichten we de dwergschnauzer eruit, maar ook bij andere rassen wemelde het van de fouten bij de lancering van de website, zoals bij de beagle, Engelse cocker spaniel, Nederlandse schapendoes en Drentsche patrijshond. De projectleider rashondenproblematiek van Dier & Recht erkent dat de erfelijke leverziekte (portsystemische shunt) die op nummer één staat bij de dwergschnauzer foutief is. Hij had dat nog even opgezocht in de gezondheidsinventarisatie van Gencouns, die spreekt van een prevalentie van nul voor deze aandoening. Ook heupdysplasie staat in het rijtje, terwijl de eerste dwergschnauzer met deze aandoening nog geboren moet worden. Dier & Recht heeft de beloofde aanpassing van de rashondenwijzer inmiddels doorgevoerd, waardoor de dwergschnauzer nu 89 in plaats van 118 ‘strafpunten’ heeft, maar het beeld weerspiegelt nog altijd niet de werkelijke situatie rond dit ras.

Opmerkelijk is dat de schnauzer slechter scoort dan rassen waarbij welzijns- en gezondheidsproblemen evident zijn, zoals de Engelse bulldog. De projectleider van Dier & Recht reageert: “Dat komt door de manier waarop we het presenteren met het puntensysteem. We hebben een categorie minder dan 1 procent, van 1 tot 10 procent en 10 procent of meer. Het kan dus best zijn dat een bepaalde ziekte bij een ras vijftig procent voorkomt, en bij de schnauzer 11 procent. Dat zie je dan niet terug in de score. We hebben wel erover nagedacht om een extra categorie te maken, maar dat is alleen nog maar een idee.” Overigens komt in de gezondheidsinventarisatie van de Raad van Beheer geen enkele erfelijke ziekte bij de dwergschnauzer meer dan 2,9 procent voor.

Het Wetenschappelijk Tijdschrift voor Diergeneeskunde is ook kritisch over de rashondenwijzer. “Deze bestempelt ten onrechte sommige rassen als ernstig ziek“, schrijft dierenarts gezelschapsdieren Hildeward Hoenderken in het artikel ‘Het einde van de rashond?’ (november 2011). Dit komt volgens hem doordat veel literatuur waarop de rashondenwijzer zich baseert géén onderscheid maakt tussen rashonden met stamboom gefokt binnen een rasvereniging, met stamboom gefokt buiten een rasvereniging of honden zonder stamboom oftewel ‘look-a-likes’. Soms worden zelfs rassen met elkaar verward, schrijft Hoenderken. Dit maakt het moeilijk om de prevalenties uit de literatuur naar waarde in te schatten, laat staan met stelligheid te presenteren. Volgens Hoenderken veroorzaakt onzorgvuldig gebruik van kostbare gegevens een rem op nieuwe initiatieven om data te genereren.

Niemand ontkent overigens dat de fokkerij van honden met té eenzijdige nadruk op uiterlijke kenmerken heeft geleid tot ernstige gezondheids- en welzijnsproblemen. Bij alle partijen groeit het besef dat er iets moet veranderen. De Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde, Raad van Beheer en rasverenigingen zijn hier allemaal mee bezig. De Nederlandse Schnauzer Club stelt al jaren onderzoek naar de oogziekten PRA en cataract verplicht bij ouder-honden. De club werkt bovendien aan een aanscherping van het fokreglement. Volgens Dier & Recht is het allemaal te weinig én te laat. “Vooral de Raad van Beheer is te veel bezig met repareren en heeft te weinig oog voor preventie. De Raad zou erfelijke informatie moeten screenen en actie ondernemen als iets de pan uit rijst.”

Als voorlichtingsinstrument schiet de Rashondenwijzer dus zijn doel voorbij, zeggen deskundigen. Hoe zou dat anders kunnen? “Een wetenschappelijk verantwoorde manier om dit te doen is ‘expert opinion onderzoek’,” aldus de faculteit Diergeneeskunde, “dat wil zeggen dat een grote groep experts op dit gebied de ernst, aard en prevalentie van de verschillende aandoeningen aangeven en categoriseren. Uiteraard is de ernst van een aandoening of afwijking ook afhankelijk van het wel of niet inzetten van een behandeling. Dat is ook een punt van zorg bij deze raswijzer, want dit soort dingen laten zich niet gemakkelijk objectief vangen in een tabel.”

De faculteit Diergeneeskunde werkt aan een DNA databank voor registratie van erfelijke aandoeningen bij rashonden. Die databank is nu juridisch helemaal rond en wordt in de praktijk uitgewerkt in samenwerking met een paar rasverenigingen die 10% van het totale rashondenbestand in Nederland vertegenwoordigen. Met de hiermee opgedane ervaringen maakt de faculteit een definitieve opzet voor alle rashonden. Ook deze database kan een schat aan (consumenten-)informatie opleveren. De Nederlandse Schnauzer Club houdt ook sinds vele jaren een database bij met de gegevens van duizenden Schnauzers, waarin ook gezondheidsgegevens worden opgenomen. Deze database wordt nu omgebouwd om deze gezondheidsgegevens in een geautomatiseerd onderzoek mee te kunnen nemen. In de loop van het jaar moeten deze  aanpassingen operatief zijn.

De overheid vindt dat er meer voorlichting moet komen over de hondenfokkerij. Dit gebeurt onder andere via het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG). Bezitters van rashonden vinden daarnaast dat de dierenarts een voorlichtende rol moet spelen. Dit is de conclusie van een onderzoek van Maud Wilting en Nienke Endenburg van de afdeling Dier in wetenschap en maatschappij van de faculteit Diergeneeskunde Utrecht. Zij enquêteerden 208 hondenbezitters en vroegen hen naar hun kennis van schadelijke raskenmerken bij de hond. Ze zijn daarvan op de hoogte, maar laten dat niet altijd meewegen bij de aanschaf van een hond, zo blijkt. Gevraagd naar een ras met gezondheidsproblemen noemen ze meestal de Engelse en Franse bulldog. Hoger opgeleiden vinden vaker dat dierenartsen een voorlichtende rol moeten hebben. Lager opgeleiden leggen die rol meer bij de rasverenigingen. Voordat mensen een hond aanschaffen, blijken ze in de praktijk vaker informatie in te winnen bij de rasvereniging dan bij de dierenarts. Voor beide partijen is er dus nog veel te winnen als het gaat om informatievoorziening over gezondheid en gezondheidsproblemen bij hondenrassen.

“Gelukkig is de schnauzer op basis van de in Nederland bekende gegevens nog een heel gezond ras,” zegt Bert de With, voorzitter van de Nederlandse Schnauzer Club. “Waarschijnlijk omdat rasverenigingen gezondheidsonderzoeken eisen voor de bekende aandoeningen,” vervolgt hij, “daarnaast is de schnauzer in Nederland nog geen heel populair ras. Zodra dit wel het geval zou worden, komt dat in de meeste gevallen de gezondheid niet ten goede. Dan storten naast gepassioneerde fokkers ook mensen met financieel gewin in het achterhoofd  zich op zo’n ras.

In de Verenigde Staten staat de schnauzer wel in de top-10 van de meest populaire rassen, wat een verklaring zou kunnen betekenen dat de Rashondenwijzer blijkbaar daar wel in staat is gebleken voldoende wel of niet correcte informatie te verzamelen om de schnauzer hier in Nederland als ongezond te kunnen bestempelen. Natuurlijk is ook ons ras niet vrij van gezondheidsproblemen, maar dat is ook niet het geval bij onszelf, de mens, wiens voortplanting niet op basis van schoonheid plaatsvindt. Ook bij een bastaardhond weet je niets over de voorouders. De enige wetenschap is dat deze voortkomt uit een outcross: een minimaal inteeltpercentage. Maar net als bij de mens is ook dat geen enkele garantie voor goede gezondheid.”

Bert de With ziet ook een positieve kant aan het in diskrediet brengen van rashonden, afhankelijk van het ras terecht of onterecht. “Zowel bij fokkers van onze rasvereniging als bij de overige rasverenigingen aangesloten bij de Raad van Beheer is het besef ontstaan of versterkt dat fokken op gezondheid minstens net zo belangrijk is als op schoonheid. En dat daarmee het kunnen aantonen van gezondheidsonderzoeken van beide ouderdieren een zo mogelijk nog beter verkoopargument vormt als kampioenschapresultaten.Belangrijk hierbij is ook dat rasverenigingen elkaar niet gaan beconcurreren met steeds soepelere voorwaarden om fokkers die niet aan de eisen kunnen of willen voldoen aan zich te binden, teneinde als rasvereniging tot groei te kunnen komen. Kwaliteit van de te fokken honden, een combinatie van gezondheid, schoonheid en karakter, moet voorop blijven staan. Dat is de toekomst van de rashond en dus onze schnauzer.”

Door Max Paumen, freelance journalist